Gevalletje ‘niets aan de hand’

Het is intussen algemeen bekend: het college van Bloemendaal verkocht ondanks alle ophef hierover de gymzaal in Bennebroek voor EUR 20.000 in januari 2019. Wat bezielde het college deze deal te sluiten, wetende dat vastgoed in de gemeente Bloemendaal aanzienlijk meer waard is dan die armzalige som van EUR 20.000 die de gemeente voor lief nam? Waarom werd er door het ambtelijk apparaat zo veel druk uitgeoefend om dit rond te krijgen? Hoe komt het dat het dossier incompleet is? Waarom feliciteerde de loco-gemeentesecretaris zijn ondergeschikte met het resultaat en uitte hij zijn grote tevredenheid met het feit dat deze transactie niet aan de raad hoefde te worden voorgelegd? Wat hield de onderzoek plicht in van de notaris die de akte passeerde? Waarom gaf een gerenommeerd taxateur deze extreem lage waarde af? En waarom koos het college juist voor deze taxateur en niet voor een professional uit de gemeente? Wat bezielde het college dit vastgoed niet aan te bieden op de markt om zodoende het beste verkoopresultaat te verkrijgen maar onderhands te verkopen? En last but not least: waarom loog de wethouder over feiten? Er was geen sprake van asbest. De fundering was niet gebroken. Er was geen technisch rapport waaruit bleek dat het gebouw op instorten stond.

Toegegeven, de gemeente had met deze verkoop misschien tonnen meer kunnen verdienen. Maar dat was niet iets wat de gemeenteraad intensief bezighield. Zo noemde de fractievoorzitter van VDB het ‘maar een hoop gez… over een gymzaaltje’ en met die woorden gaf hij de gevoelens in de raad aardig goed weer. De overgrote meerderheid begreep niet waar onze fractie zich druk over maakte.

De verkoop van een gymzaal voor EUR 20.000 is in onze ogen exemplarisch voor de modus operandi in het gemeentehuis van Bloemendaal. Dat is op zijn zachtst uitgedrukt zorgwekkend. Het is slecht voor vertrouwen. Maar het is ook vernietigend voor de sfeer binnen het ambtelijk apparaat en de kwaliteit van het werk dat wordt geleverd.

Wij vroegen de burgemeester naar aanleiding van deze transactie een preadvies te schrijven. Want wat ons betreft moet er een raadsenquête komen naar de verkoop van vastgoed door de gemeente in de afgelopen tien jaar. Dit gaat al lang niet meer alleen maar over de verkoop van een gymzaal. De burgemeester is echter van oordeel dat er niets aan de hand is:

Gelet op het feitenonderzoek en het rapport van de huisadvocaat heb ik geen aanwijzing voor “onrechtmatig handelen’ dan wel ‘bevoordeling’ bij de verkoop van de gymzaal. Op basis van artikel 170 lid 2 van de Gemeentewet zie ik derhalve geen aanleiding tot een nader onderzoek. Of er politieke vraagstukken aan de orde zijn, die een onderzoek rechtvaardigen laat ik over aan het oordeel van het hoogste orgaan.

Burgemeester geeft geen eigen oordeel. Hij wikt en weegt niet. Nee, hij legt de last van de beoordeling in handen van een externe. Een advocaat die voor zijn ‘advies’ moet afgaan op wat het college hem aan onderliggend materiaal aanbiedt. Aangezien de advocaat een goede werkrelatie moet onderhouden met zijn opdrachtgever, wekt zijn conclusie geen verbazing: er mankeert natuurlijk helemaal niets aan deze transactie. Alles is pico bello in orde. Het is net als met het sprookje van de ‘kleren van de keizer’. Iedereen ziet heus wel dat de keizer in zijn blootje over straat hobbelt, maar niemand durft het uit te spreken. En de advocaat zou geen advocaat zijn als hij niet een list kon verzinnen. Terwijl de burgemeester de raad als ‘hoogste orgaan’ toespreekt in zijn preadvies, zoekt Elbert Roest op hetzelfde moment zijn heil bij deze advocaat die de rol van de gemeenteraad juist volledig marginaliseert in zijn advies:

De vraag of de raad al dan niet wensen en bedenkingen aan het college heeft meegegeven en de vraag op basis waarvan de raad zijn besluit heeft genomen is niet van belang voor de vraag of er een rechtsgeldige koopovereenkomst tot stand is gekomen. Het college is immers bevoegd om een koopovereenkomst te sluiten. Het college kan zelfs eventuele wensen en bedenkingen van de raad naast zich neerleggen indien hij van mening is dat er aanleiding bestaat om af te wijken van het besluit van de raad.

Een contradictio in terminis zouden juristen zeggen: de raad als hoogste en meest te negeren orgaan in gemeentepolitiek. Dat valt niet met elkaar te rijmen…

Wat nu? De burgemeester wil absoluut geen onderzoek maar durft het niet hardop te zeggen. Dat mag de advocaat voor hem doen. De gemeenteraad wil in meerderheid geen onderzoek, want dan valt het college. Of op zijn minst zal de verkopend wethouder op moeten stappen. Niet alleen vanwege deze transactie maar vooral omdat hij keer op keer niet de waarheid sprak en ook omdat hij geen enkele greep lijkt te hebben op het reilen en zeilen van het ambtelijk apparaat.

Wij hebben behoefte aan degelijke bestuurders die transparant werken en niet te beroerd zijn om verantwoording af te leggen. Waar we helemaal geen behoefte aan hebben is wegkijkers en duikers. Maar Bloemendaal is in de greep van angst. Wat fout is, moet worden toegedekt of goedgepraat. Het is het ultieme recept voor nog meer bestuurlijke misère.

Gemeentepolitiek is de rotte plek in onze democratische rechtsstaat.