Een volk…

Terug naar die onderbroken raadsvergadering van 30 januari jl. Hieronder volgt een korte persoonlijke tekst van raadslid Roos.

Voor aanvang van de raadsvergadering liep de burgemeester naar mijn tafeltje toe. Ik was nog iets aan het uitpakken toen ik zijn aanwezigheid gewaar werd. Ik keek op en daar stond hij in vol ornaat. Strak in pak en stropdas, de zilveren keten om zijn hals en schouderpartij en om me heen een zee van dobberende hoofden en geroezemoes. Een ferme handdruk volgde waarbij hij zijn arm over de volle lengte naar mij uitrekte en direct daarna de vraag bits en bars: ‘Ga jij een mededeling zo dadelijk doen?’

Verbaasd keek ik hem aan. Die middag had ik de griffier gebeld en gevraagd aan de burgemeester door te geven dat ik van plan was een mededeling te doen direct aan het begin van de vergadering. Hooguit 1 minuut.

‘Wat is het onderwerp?’ vroeg ze.

‘Ik weet het nog niet zeker. Verschillende mogelijkheden. Ik denk over die kwestie die gaat over het schenden van de privacy wetgeving en het bewijs dat de burgemeester van onze fractie eiste in januari. Dat bewijs heb ik geleverd. Of misschien toch de burgemeestersbrief. Ik ben nog aan het dubben.’

‘Goed, dan ik geef het door.’

Terwijl ik daar over nadacht, stond de burgemeester mij geïrriteerd te bekijken.

‘nou, wat is het? Doe je een mededeling of doe je die niet?’

‘Ja, dat ga ik doen burgemeester.’

‘En waarover dan? Dat wil ik weten.’

‘…ehm, ik ben er nog niet helemaal uit. De mogelijkheden zijn divers. Het kan het een zijn of het ander. Dat hangt af van de omstandigheden die op dit moment talrijk zijn. Dat wil zeggen, ik kan me nog bedenken, maar dat ik iets zeg vanavond is zeker en dat is ook gecommuniceerd. Zo kan ik beamen.’

‘Als je maar weet dat ik je onmiddellijk het zwijgen opleg als je begint over die burgemeestersbrief en als je de namen noemt dan grijp ik in. Want dat sta ik niet toe.’

En daar ging hij mij verbaasd kijkend achterlatend, stampend van woede de rij langs op weg naar de VVD, zijn eigen eindbestemming, en daarna de voorzittersstoel.

Ik keek hem na. Zo veel spanning van zijn rug en schouders dat ik bijna medelijden kreeg. Collega Slewe keek me aan: ‘Waar ging dat over?’

‘Geen idee. Bevel: geen woord over de burgemeestersbrief met de handtekening van die vijf topambtenaren. Dan volgt er straf.’

Ik besloot de man die zijn eigen brief niet wilde bespreken, die liever alles doodzwijgt dan eerlijk op tafel legt, die te beroerd is om zijn eigen stommiteit toe te geven, te sparen.

Het moraal van dit kleine verhaal? De censuur, de onvrijheid, de morele verhevenheid vieren hoogtij in Bloemendaal. Vooraf wordt bepaald waarover ik als volksvertegenwoordiger nog wel het woord mag voeren en waarover niet.

Vanavond was iemand zo vriendelijk om mij moed in te spreken en me te wijzen op de spreuk van H.M. van Randwijk. Zo prachtig, zo waar, zo ontroerend, zo troostrijk in deze tijd herhaal ik deze woorden met gepaste bescheidenheid maar ook met trots en hoop:

een volk dat voor tirannen zwicht

              zal meer dan lijf en goed verliezen

dan dooft het licht…